| Plan: | Facetbestemmingsplan kleinschalige windturbines Noordenveld |
|---|---|
| Status: | ontwerp |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1699.2023BP107-ow01 |
Dit facetbestemmingsplan heeft betrekking op het mogelijk maken van:
Aanleiding hiervoor is dat er meer aanvragen voor kleine windturbines binnenkomen en de gemeente het plaatsen van een kleinschalige windturbines makkelijker wil maken. Omdat de voorgenomen ontwikkeling op dit moment nog niet mogelijk is volgens de nu geldende bestemmingsplannen en omdat de gemeente door middel van een vergunningstelsel zicht wil houden op de bouw van de kleine windturbines, wordt dit onderhavige bestemmingsplan opgesteld. Ook worden een aantal voorwaarden gekoppeld aan de bouw van de windturbines. Deze voorwaarden worden opgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
Dit bestemmingsplan voorziet dus in het planologisch mogelijk maken van de kleine windturbines in de gemeente Noordenveld. Artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) vormt de wettelijke bevoegdheid om dit bestemmingsplan op te stellen.
Tot slot wordt nog opgemerkt dat het met dit bestemmingsplan goed beschouwd gaat om een facetbestemmingsplan: dit bestemmingsplan wijzigt ter plaatse van haar plangebied de nu geldende regels slechts gedeeltelijk.
Het plangebied van dit bestemmingsplan beslaat een groot deel van het grondgebied van de gemeente: het buitengebied en de bedrijventerreinen van de gemeente Noordenveld. Kleinschalige windturbines worden in ieder geval uitgesloten bij:
Ook moet er worden voldaan aan de regels conform molenbiotoop.
Onderstaande afbeelding geeft globaal het plangebied (buitengebied) aan van dit facetbestemmingsplan. In Artikel 3 van de regels is een opsomming opgenomen van alle bestemmingsplannen waarop dit facetbestemmingsplan op van toepassing is.
Figuur 1. Globale weergave plangebied (Bron: BügelHajema Adviseurs)
In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op het ruimtelijk beleid van het Rijk, de provincie Drenthe en gemeente Noordenveld. Hoofdstuk 3 gaat vervolgens in op de ruimtelijke randvoorwaarden voor het al dan niet toestaan van kleinschalige windturbines. Hoofdstuk 4 gaat in op de juridische vormgeving van het plan. Ten slotte gaat Hoofdstuk 5 kort in op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.
Het rijk voert geen specifiek beleid voor kleine windturbines. Uiteraard heeft het Rijk duurzaamheidsambities, maar zij ziet daarin voor kleine windturbines tot nog toe slechts een bescheiden rol weggelegd. Er is dan ook geen stimuleringsprogramma voor kleine windturbines. Daarbij hanteert het rijk de volgende overwegingen:
Toetsingskader
Op 3 oktober 2018 zijn de Omgevingsvisie Drenthe 2018 en de Omgevingsverordening Drenthe 2018 vastgesteld. De omgevingsvisie is op 28 augustus 2022 geactualiseerd. Ook de POV is op 8 maart 2023 op enkele onderdelen herzien.
De provincie heeft als ambitie dat Drenthe in 2050 volledig energieneutraal is. Daarmee conformeert zij zich aan het klimaatakkoord van Parijs. Dat betekent dat Drenthe in 2050 honderd procent van het energiegebruik hernieuwbaar produceert. De ambities zijn tevens verwoord in de Energieagenda 2016-2020 'Op weg naar een duurzame Drentse energiehuishouding' van de provincie Drenthe.
Om de doelen te bereiken, zet de provincie volop in op energiebesparing, waardoor de vraag naar energie wordt beperkt. In de resterende energievraag in Drenthe wil de provincie voorzien door de productie van hernieuwbare energie, met behoud van leveringszekerheid en betaalbaarheid.
De energieopgave wordt integraal aangepakt, zodat technologische, financiële en maatschappelijke innovaties en ontwikkelingen, ruimtelijke inpassing en de sociaal maatschappelijke impact daarvan, in samenhang worden beschouwd. De provincie wil de energieopgave realiseren, passend bij de kernkwaliteiten die onze provincie rijk is.
Om de Drentse energieopgave verder vorm te geven en de realisatie ervan te versnellen gaat de provincie samen met de gemeenten, waterschappen en andere partners een Regionale Energiestrategie (RES) uitwerken. De Drentse RES heeft een koppeling met het Integraal Nationaal Energie en Klimaatplan (INEK).
Om in 2050 energieneutraal te kunnen zijn, moet in Drenthe in 2030 veertig procent hernieuwbare energie worden geproduceerd. Dat komt naar inschatting overeen met de productie van twintig petajoule hernieuwbare energie. Er wordt gestreefd naar een mix van energie uit wind, zon, biomassa, en bodemenergie. Een wezenlijk onderdeel van deze productie wordt gerealiseerd met 285,5 megawatt aan windturbines, zoals afgesproken in het Nationaal Energie Akkoord.
Er wordt ruimte gegeven aan de productie van windenergie op logische locaties, waar het dynamische en technische karakter van windturbines aansluit bij verwante functies en overeenstemmen met het karakter van de plek en de omgeving. Daarnaast ziet de provincie mogelijkheden in landschappen waarin turbines minder waarneembaar of dominant zijn, zoals in bossen en kleinschalige landschappen.
Artikel 2.22 van de Omgevingsverordening bepaalt dat een ruimtelijk plan kan voorzien in de toepassing van windenergie, wanneer het gaat om kleine installaties met een ashoogte van maximaal vijftien meter, wanneer uit het desbetreffende plan blijkt dat dit gebeurt op een wijze die passend is binnen het landschap.
Conclusie
Wanneer het onderhavige planvoornemen om kleine windturbines in de gemeente Noordenveld te plaatsen wordt getoetst aan de geldende regelgeving en het beleid van de provincie Drenthe, is de conclusie dat het planvoornemen met de regels en het beleid van de provincie overeenkomt. Daarmee vormt dit onderdeel geen belemmering voor de planologische ontwikkeling van dit bestemmingsplan.
Op 8 februari 2017 is de Omgevingsvisie Noordenveld 2030 vastgesteld. De Omgevingsvisie is de strategische visie van de gemeente waarin aspecten van het ruimtelijke en sociale domein zijn geïntegreerd. In de visie staan vijf kernwaarden centraal: transparant, leefbaar, groen, ondernemend en duurzaam.
Transparant en een transparant bestuur betekent dat het voor inwoners helder is welke afwegingen het bestuur maakt, het betekent niet dat inwoners altijd gelijk krijgen. Leefbaarheid staat voor alles wat het samen leven in Noordenveld prettig maakt. Groen staat voor natuur, rust en ruimte voor de inwoners en bezoekers. Recreatie en toerisme, hoogwaardige kennisindustrie, een levendige middenstand in de verschillende kernen en de agrarische sector zijn de pijlers van Noordenveld als ondernemende gemeente. Duurzaam is het zorgvuldig omgaan met de beschikbare bronnen en het gebruik van de ruimte.
Ten aanzien van windturbines en duurzame energie wordt in de omgevingsvisie vermeld dat de gemeente Noordenveld geen ruimte bied voor grootschalige windmolenparken. Wel staat de gemeente positief tegenover de aanleg van zonneakkers, behalve in natuurgebieden. In andere gebieden geldt maatwerk, rekening houdend met onder meer cultuurhistorische waarden. De gemeente Noordenveld wil klimaatneutraal zijn in 2040.
Het mogelijk maken van kleinschalige windturbines is niet in strijd met de Omgevingsvisie Noordenveld 2030. Het onderhavige planvoornemen sluit aan op de ambitie van de gemeente Noordenveld om in 2040 klimaatneutraal te zijn.
De gemeente Noordenveld heeft een programma Duurzaam Noordenveld gemaakt. In dit programma wordt er een stip op de horizon met duurzaamheidsdoelen gezet voor 2040. In 2040 zorgen een schone lucht, een gezonde bodem en een goede waterbalans samen voor een gezonde leefomgeving voor mens en dier.
Het hoofddoel van het programma Duurzaam Noordenveld is om negatieve effecten op het klimaat te voorkomen. En waar mogelijk zelfs een positief effect op het klimaat te hebben. Het programma is verdeeld in vijf thema’s. Per thema zet de gemeente Noordenveld een stip op de horizon en geeft ze aan hoe ze daar in de komende vijf jaar concreet naartoe werkt. Elk jaar wordt opnieuw bekeken waar ze op dit moment staan en welke acties nodig zijn. Dit programma is een hulpmiddel om te toetsen of datgene wat we doen bijdraagt aan het behalen van ons hoofddoel.
Met dit programma wordt invulling gegeven aan de afspraak uit het Raadsakkoord 2018-2022 om de energietransitie en verduurzaming in Noordenveld goed en gestructureerd op te pakken. Bij het samenstellen van dit programma is gevraagd om input aan de adviesraad Duurzaamheid, gemeenteraadsleden, gemeenteambtenaren, inwoners, bedrijven en betrokken organisaties.
De vijf thema's van Duurzaam Noordenveld zijn:
Voor elk thema is het toekomstperspectief voor 2040 beschreven, zijn een aantal doelen gesteld en is opgeschreven wat de ambities zijn voor 2025.
Bij het thema duurzame energie is een van de doelen het meer benutten van windpotentie. In het Programma Duurzaam Noordenveld staat hier het volgende over beschreven:
''Met windenergie kunnen we ons elektriciteitsverbruik verduurzamen. Om alle inwoners en bedrijven te voorzien van lokaal opgewekte duurzame stroom kunnen we niet zonder windenergie. In 2040 hebben we in Noordenveld ingezet op wind als duurzame energiebron, met oog voor landschap en inwoners.''
Met betrekking tot kleine windturbines staat in het Programma Duurzaam Noordenveld beschreven dat de gemeente de procedure voor kleine windturbines in bestemmingsplannen/omgevingsplan wil vereenvoudigen, zodat het eenvoudiger wordt om een kleine windturbine, die voorziet in de eigen energiebehoefte, te realiseren.
Het planvoornemen sluit daarmee aan op het Programma Duurzaam Noordenveld.
De Noordenveldse Kwaliteitsgids is vastgesteld op 22 april 2020. De kwaliteitsgids is in eerste instantie opgesteld als een document dat de gemeente betrekt bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven. In de kwaliteitsgids zijn het landschap en de dorpen in de gemeente Noordenveld en hun karakteristieken op hoofdlijnen beschreven. De gids wordt betrokken bij de afweging van ruimtelijke ontwikkelingen en initiatieven. De kwaliteitsgids is een document met basisinformatie. Per landschapstype en per kern zijn een aantal overzichtelijke gidsprincipes geformuleerd. Deze gidsprincipes geven aan hoe bij ontwikkelingen omgegaan kan worden met de aanwezige karakteristieken. Zij zijn open en kwalitatief geformuleerd, zodat ruimte is voor afweging en verschillende uitkomsten mogelijk zijn. Een flexibele en op maat-werk gerichte aanpak is vereist om tot een afweging en ontwikkeling te komen.
Elke aanvraag voor een kleinschalige windturbine met een maximale ashoogte van 15 m1 dient te worden aangeleverd met een landschappelijk inpassingsplan opgesteld door een erkend bureau. Hierbij moet de Noordenveldse Kwaliteitsgids als kader worden gebruikt. In het inpassingsplan moet worden aangetoond dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het ruimtelijk beeld en de cultuurhistorische karakteristiek van het erf en de omgeving.
Voor kleinschalige windturbines en windwokkels met een maximale tiphoogte van 15 m1 geldt de eis van een landschappelijk inpassingsplan niet.
De Gids Omgevingskwaliteit van de gemeente Noordenveld vervangt de Welstandsnota. De gemeente Noordenveld slaat namelijk een nieuwe weg in, passend bij de Omgevingswet. Voor het oprichten van een kleine windturbine is een omgevingsvergunning vereist. Een aanvraag voor een omgevingsvergunning moet op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) getoetst worden aan de Gids Omgevingskwaliteit.
In de Gids Omgevingskwaliteit zijn (nog) geen specifieke toetsingscriteria opgenomen voor kleine windturbines. De gemeente Noordenveld heeft echter 3 basisprincipes vastgesteld waar elk bouwwerk aan moet voldoen. De basisprincipes van Noordenveld gaan over drie dingen: het ontwerp, de plek en de vormgeving van het bouwwerk. De 3 basisprincipes van Noordenveld gelden voor alle routes voor bouwplannen: de vergunningsvrije route, de snelle route en de route voor bijzondere bouwplannen. De basisprincipes zijn bijvoorbeeld de basis voor de ontwerpprincipes van de snelle routes. De gemeente Noordenveld gebruikt de basisprincipes voor de beoordeling van alle bouwplannen in Noordenveld. Aanvragen voor een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een kleine windturbine zullen aan deze bovenstaande basisprincipes worden getoetst.
Ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling (het via een vergunningstelsel mogelijk maken om kleinschalige windturbines in het buitengebied bij agrarische bouwpercelen en op de bedrijventerreinen van de gemeente Noordenveld te plaatsen) geldt dat niet alle milieuaspecten zoals die normaal in een bestemmingsplan worden besproken voor de onderhavige ontwikkeling relevant zijn. De omgevingsaspecten die wel een rol spelen, zullen in dit hoofdstuk per aspect worden besproken. Deze aspecten worden meegenomen in de overwegingen bij de te maken keuzes voor locaties voor kleine windturbines.
Relatie Wet Milieubeheer
Kleine windturbines met een rotordiameter groter dan twee meter vallen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer (artikel 3.13 en verder). Dit kan worden afgeleid uit het Besluit omgevingsrecht, Bijlage 1, onder 20.2. Deze windturbines worden als een zelfstandige inrichting gezien en moeten daarom voldoen aan de bepalingen ten aanzien van geluid, veiligheid en visuele hinder zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer zijn opgenomen. Voor deze kleine windturbines vormt het Activiteitenbesluit milieubeheer dus het toetsende kader ten aanzien van milieuaspecten. (zie artikel 6.1).
Kleine windturbines met een rotordiameter kleiner dan twee meter vallen niet onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. (zie artikel 6.2). Voor deze windturbines kan worden volstaan met een omgevingsvergunning voor het bouwen. Omdat in de Wet milieubeheer de kleine windturbines (rotordiameter kleiner dan twee meter) zijn uitgezonderd vanwege de beperkte overlast die zij met zich meebrengen voor de omgeving, wil de gemeente Noordenveld niet op voorhand voor deze kleine windturbines een aanvullende regeling opnemen in het bestemmingsplan. Desondanks wil de gemeente, mocht daarvoor een noodzaak aanwezig zijn omwille van verschillende omgevingsfactoren, wel de mogelijkheid houden nadere eisen te stellen aan geluid, veiligheid en visuele hinder van kleine windturbines. In die gevallen zal de gemeente de normering zoals die in het Activiteitenbesluit milieubeheer is opgenomen voor windturbines aanhouden. Ook kan bij een aanvraag bekeken worden of de windturbine een NEN-EN-IEC 61400-2 certificering heeft dan wel voldoet aan Handreiking miniwind en kleine windmolens van Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA). In dat eerste geval kan de toetsing bij de omgevingsvergunning beperkt blijven tot de vraag of het bedoelde certificaat aanwezig is.
De paragrafen van dit hoofdstuk gaan per thema in op de normeringen vanuit het Activiteitenbesluit milieubeheer voor geluid, externe veiligheid, ecologie en visuele hinder voor de windturbines zoals die zijn geregeld in artikel 6.1. Daarnaast wordt aanvullend nog ingegaan op de landschappelijke randvoorwaarden die de gemeente stelt voor het plaatsen van kleine windturbines en zal de eerste paragraaf eerst bespreken wat voor typen windturbines mogelijk zijn.
In de categorie kleinschalige windturbines maken verschillende merken uiteenlopende windturbines. Al die windturbines zijn echter tot twee typen te onderscheiden:
Turbines met een horizontale as zijn het type dat in Nederland veruit het meeste voorkomt. Van dit type windturbine is hieronder een afbeelding ingevoegd. De omvang van dit type windturbine is groter dan die van een windturbine met een verticale as.
Figuur 2. Een windturbine waarvan de as horizontaal is georiënteerd
Naast de windturbines met een horizontale as, bestaan er dus ook windturbines waarbij de as waar de wieken omheen draaien verticaal zijn georiënteerd. Doordat deze windturbines geen staart nodig hebben, ze staan immers altijd in de juiste positie gepositioneerd, hebben dit type windturbines een kleinere omvang en zijn zij beter geschikt voor plaatsen waar de windrichting erg veranderlijk is. Van een windturbine met een verticale as is hieronder een afbeelding opgenomen.
Figuur 3. Een windturbine waarvan de as verticaal is georiënteerd
Hoewel de windturbines wat betreft uitstraling wezenlijk anders zijn en de meest geschikte locatie voor beide typen uiteenloopt, maakt dit facetbestemmingsplan geen onderscheid.
Windturbines
Een kleinschalige windturbine produceert geluid. Hoeveel geluid precies is afhankelijk van het type en de windsnelheid. Artikel 3.14a van het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat geluidsnormen voor windturbines. Daarin staat dat een windturbine of een combinatie van windturbines voldoet ten behoeve van het voorkomen of beperken van geluidhinder aan de norm van ten hoogste 47 dB Lden en aan de norm van ten hoogste 41 dB Lnight op de gevel van gevoelige gebouwen, tenzij deze zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein, en bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein. Deze geluidsnormering wordt landelijk acceptabel geacht.
Er is op voorhand geen reden om hier in het algemeen een nog strengere normering voor te hanteren. In bijzondere omstandigheden, zoals cumulatie van verschillende geluidsbronnen of andere windturbines, kunnen op grond van artikel 3.14a, tweede en derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer maatwerkvoorschriften worden gesteld. Omdat het bestemmingsplan slechts een beperkt aantal kleine windturbines toestaat (namelijk niet meer dan nodig voor de eigen energievoorziening) per bouwvlak of bouwperceel, zijn deze omstandigheden vooralsnog niet te verwachten. Daarom zijn er bij dit bestemmingsplan ook geen algemene op het Activiteitenbesluit milieubeheer aanvullende richtlijnen voor cumulatieve toetsing (ten behoeve van meldingstoetsing) nodig geacht. Dat betekent dat het milieuaspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Aanvullend op de bepalingen in het Activiteitenbesluit milieubeheer bevat dit bestemmingsplan als regel dat de afstand tussen de turbine en de meest nabijgelegen geluidsgevoelige bestemming minimaal viermaal de ashoogte van de turbine bedraagt. Dus indien een kleinschalige windturbine een hoogte krijgt van 15,00 m (hetgeen de maximum hoogte is voor een kleinschalige windturbines) dan moet deze kleinschalige windturbine op minimaal 60,00 m van de meest nabijgelegen geluidsgevoelige bestemming staan.
Van deze minimale afstandsmaat kan worden afgeweken als kan worden aangetoond dat er van geluidshinder geen sprake is of als deze zo kan worden beperkt dat van hinder in redelijkheid geen sprake meer is.
Inleiding
Externe veiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op inrichtingen (bedrijven) of transportroutes. Op beide categorieën is verschillende wet- en regelgeving van toepassing. Voor inrichtingen is dit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), voor transportroutes het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en voor hogedruk aardgastransportleidingen het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Binnen het beleidskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Op 27 oktober 2004 zijn het Bevi en de Regeling externe veiligheid inrichtingen van kracht geworden. In het Bevi zijn risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot inrichtingen met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd.
Het plaatsgebonden risico (PR) geeft de kans, op een bepaalde plaats, om te overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. De kans heeft betrekking op een fictief persoon die de hele tijd op die plaats aanwezig is. Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6/jaarcontour (die als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6/jaarcontour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang. Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting bij een calamiteit. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Dit invloedsgebied wordt begrensd door de 1%-letaliteitsgrens (tenzij anders bepaald): de afstand waarop nog 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving komt te overlijden bij een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Het GR kan niet 'op de kaart' worden weergegeven, maar wordt weergegeven in een grafiek waar de kans (f) afgezet wordt tegen het aantal slachtoffers (N): de fN-curve.
Onderzoek
Uit de risicokaart blijkt dat in het plangebied van dit bestemmingsplan, verscheidene risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. De onderstaande afbeelding bevat een uitsnede van de betreffende risicokaart.
Figuur 4. Uitsnede risicokaart (bron:risicokaart.nl)
Binnen het plangebied waarop dit facetbestemmingsplan van toepassing is, liggen verscheidene gasleidingen, wegen en andere risiciobronnen. Omdat het echter op voorhand niet mogelijk is om gebieden te toetsen aan de mogelijkheid om de bouw van kleinschalige windturbines al dan niet uit te sluiten, wordt dit niet nu maar ten tijde van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine gedaan. Om die reden stelt dit facetbestemmingsplan eisen aan de kleinschalige windturbines ten aanzien van de afstand ervan tot risicobronnen en risicovolle inrichtingen.
Hoogspanningsleidingen
Op één onderdeel is de bovenstaande risicokaart niet volledig. Hoogspanningsleidingen zijn niet op de kaart weergegeven en behoeven om die reden een aparte afweging. Ter illustratie geeft de onderstaande figuur aan waar in de gemeente Noordenveld hoogspanningsverbindingen zijn. De verbindingen die door de gemeente Noordenveld lopen betreffen:
Windturbines
De eigenaar van de hoogspanningsleidingen, TenneT, bepaalt de afstand die moet worden aangehouden tussen eigendommen van TenneT en windturbines op basis van het 'Handboek Risicozonering Windturbines'. Omdat er geen eis voor certificering is opgenomen en omdat de veiligheidsmaatregelen bij kleinschalige windturbines afwijken van de grote exemplaren, bestaat vanuit TenneT het verzoek om rekening te houden met de maximale werpafstand bij tweemaal nominaal toerental. De gemeente Noordenveld houdt hiermee rekening door in de regels te stellen dat de kleinschalige windturbines op zijn minst op de maximale werpafstand moeten worden geplaatst van hoogspanningsleidingen bij twee keer het maximale toerental van de kleinschalige windturbine. Anders gezegd: de voorgeschreven afstand tussen een kleinschalige windturbine en een hoogspanningsleiding, is de afstand die een rotorblad kan afleggen bij het losschieten van de kleinschalige windturbine als deze op twee keer zo snel draait dan maximaal mogelijk (nominaal toerental). Omdat deze regel het toetsingskader is voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen van een windturbine, zoals door dit bestemmingsplan geboden, voldoet dit bestemmingsplan aan de gestelde eisen.
Figuur 5. Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart (bron:hoogspanningsnet.com)
Conclusie
Tijdens de toetsing van een aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een kleine windturbine moet bekeken worden of er redenen zijn om op grond van externe veiligheid, bijvoorbeeld de aanwezigheid van een hoogspanningsverbinding, de omgevingsvergunning niet te verlenen of om voorwaarden te stellen. Op basis van het bovenstaande is de conclusie dat het milieuaspect externe veiligheid op voorhand geen belemmering opwerpt. Zodoende kan het planologische voornemen als uitvoerbaar worden geacht.
Windturbines
Het plaatsen van een kleinschalige windturbine heeft naast ruimtelijke gevolgen ook visuele gevolgen. Hoewel de windturbines maximaal 15,00 m hoog (ashoogte) mogen zijn, kunnen de windturbines in het open karakter van het buitengebied gevolgen teweegbrengen. Zo hebben de draaiende wieken van een windturbine mogelijk slagschaduw en lichtreflectie als gevolg. De positionering van kleinschalige windturbines kan veel uitmaken in het al dan niet optreden van visuele hinder. Door een goede positionering van kleine windturbines, waarbij men rekening houdt met zonlicht en schaduwwerking kan men het effect van slagschaduw en lichtreflectie beperken. Ook stelt het Activiteitenbesluit milieubeheer regels omtrent lichtschittering en slagschaduw. Het Activiteitenbesluit milieubeheer bepaalt in artikel 3.14, vierde lid, en in samenhang met artikel 3.12, eerste lid, van de Activiteitenregeling milieubeheer dat om slagschaduw en lichtschittering te voorkomen een windturbine is:
"voorzien van een automatische stilstandvoorziening die de windturbine afschakelt indien slagschaduw optreedt ter plaatse van gevoelige objecten voorzover de afstand tussen de windturbine en de gevoelige objecten minder dan 12 maal de rotordiameter bedraagt en gemiddeld meer dan 17 dagen per jaar gedurende meer dan 20 minuten per dag slagschaduw kan optreden en voorzover zich in de door de slagschaduw getroffen uitwendige scheidingsconstructie van gevoelige gebouwen of woonwagens ramen bevinden".
Wanneer men dit toepast op bijvoorbeeld een windturbine met een rotordiameter van 12,00 m, betekent dat indien een windturbine zich op minder dan 144,00 m (twaalf maal een rotordiameter van 12,00 m) bevindt, de windturbine moet zijn voorzien van een stilstandvoorziening als de mogelijke slagschaduw zich anders meer dan zeventien keer per jaar gedurende meer dan twintig minuten per dag zou voordoen. Slagschaduw en lichtschittering moeten zoveel mogelijk worden beperkt (artikel 3.13, eerste lid van het Activiteitenregeling milieubeheer) door de toepassing van niet-reflecterende materialen of coatinglagen op de betreffende onderdelen.
Door middel van de regelgeving van het Activiteitenbesluit milieubeheer voorkomt de gemeente Noordenveld zoveel als mogelijk visuele hinder.
In de gemeente Noordenveld gelden op een aantal plaatsen beperkingen voor bouwen en gebruik als gevolg van de aanwezigheid van radiotelescopen (Astron). Dit geldt met name voor activiteiten die elektromagnetische velden kunnen veroorzaken, zoals windturbines.
In onderstaande afbeelding is aangegeven in welke delen van het plangebied beperkingen gelden voor het plaatsen van kleine windturbines (figuur 6). In de rode gebieden zijn windturbines in principe niet toegestaan, tenzij Astron uitdrukkelijk toestemming heeft verleend. Deze rode gebieden liggen niet in de gemeente Noordenveld. In de gele gebieden zijn windturbines alleen toegestaan na overleg met Astron. In de groene gebieden gelden geen beperkingen.
Figuur 6. Beperkingen windturbines (Bron: Astron)
Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk moeten worden mee gewogen bij het vaststellen van ruimtelijke plannen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Voor het plangebied van dit bestemmingsplan geldt dat er verscheidene cultuurhistorische locaties voorkomen, verspreid over de gehele gemeente. Om die waarden te beschermen en om tot een uitvoerbaar plan te komen, regelt het bestemmingsplan dat windturbines niet worden geplaatst bij of in cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle gebieden en objecten. Dit betreft onder meer rijks- en provinciale monumenten, beschermde dorpsgezichten, archeologische monumenten en historische kernen.
Door de bovenstaande manier zijn de cultuurhistorische waarden in het plangebied van dit bestemmingsplan voldoende geborgd en kan dit bestemmingsplan op het milieuaspect cultuurhistorie als uitvoerbaar worden geacht.
In het kader van de uitvoerbaarheid van ruimtelijke plannen is het van belang om aandacht te besteden aan beschermde natuurwaarden. De effecten op natuurwaarden moet men beoordelen in relatie tot bestaande wet- en regelgeving op het gebied van soortenbescherming en gebiedsbescherming. De wettelijke grondslag hiervan ligt per 1 januari 2017 in de Wet natuurbescherming (Wnb) en in het provinciaal ruimtelijk natuurbeleid. De Wnb regelt onder andere de soortenbescherming van planten en dieren, dit betreft de in het wild voorkomende vogels onder de vogelrichtlijn, de dier- en plantensoorten onder de habitatrichtlijn. Dier- en plantensoorten die in de bijlage van de wet genoemd worden vallen ook onder de beschermde soorten, op deze lijst mogen provincies een 'lijst met vrijstellingen' opstellen (artikel 3.11 van de Wnb). In de Wnb is eveneens de bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Plannen en projecten met negatieve effecten op deze gebieden zijn vergunningsplichtig. Relevant daarbij is dat de Wnb een externe werking kent. Van externe werking is sprake als activiteiten buiten een Natura 2000-gebied van invloed zijn op de natuurwaarden in een Natura 2000-gebied.
Om de natuurwaarden te beschermen en om tot een uitvoerbaar plan te komen, regelt het bestemmingsplan dat windturbines niet worden geplaatst in Natura 2000-gebied en gebieden behorend tot Natuurnetwerk Nederland. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, heeft BügelHajema Adviseurs verder nog een toets aan de natuurwetgeving uitgevoerd. Het onderzoek richt zich op de windturbines die het plan mogelijk maakt. Zie voor het volledige rapport Bijlage 1 bij deze toelichting.
Vanwege de globale opzet van het plan, zonder vastlegging van exacte locaties en aantallen kleine windturbines, is het onderzoek beperkt tot een bureauonderzoek.
Bij een concreet voornemen voor de plaatsing van een kleine windturbines kan een meer gedetailleerde natuurtoets uitgevoerd worden. Hiermee kunnen ook de specifieke kenmerken van een locatie worden beoordeeld, onder meer door het uitvoeren van een veldonderzoek. Een dergelijke meer specifieke toets is geen onderdeel van dit onderzoek.
Voor een globale toetsing van het facetbestemmingsplan voor kleine windturbines aan de natuurwetgeving is een voldoende beeld van de natuurwaarden ontstaan uit het bronnenonderzoek.
Uit het natuurwaardenonderzoek komt naar voren dat er bij een concreet plan voor de plaatsing van een kleine windturbine moet worden bepaald of er sprake is van verblijfplaatsen, vliegroutes of een belangrijk foerageergebied van vleermuizen. Daarnaast is het nodig om te bepalen of functioneel leef-gebied van vogels met jaarrond beschermde nesten en andere vogels met een hoog aanvaringsrisico (huiszwaluw, torenvalk, boerenzwaluw, houtduif en gierzwaluw) op deze locaties aanwezig is. Indien deze soorten in de omgeving aanwezig zijn, moet bij de positionering rekening worden gehouden met deze soorten, zodat het aanvaringsrisico wordt geminimaliseerd. In dat geval is niet meer dan een incidenteel slachtoffer te verwachten.
Verder dient bij de plaatsing aantasting en verstoring van bezette nestplaatsen van vogels en verblijfplaatsen van niet-vrijgestelde amfibieën en grondgebonden zoogdieren te worden voorkomen.
In verband met het onderhoud en het beheer van watergangen moet een bepaalde afstand worden aangehouden van een windturbine tot een watergang. Per locatie verschilt deze afstand. Ten behoeve van onderhoud moet een afstand van 5 meter (vanaf de boveninsteek van de watergang) in acht worden genomen. Dit om de watergang toegankelijk te houden voor bijvoorbeeld maaivoertuigen.
Hiertoe is in de regels een bepaling opgenomen.
Bij de aanleg van nieuwe kabels en transformatoren, stroomverdeelstations, of de aanpassing van bestaande kabels/transformatoren, inkoop/stroomverdeelstation in, onder of boven een waterstaatswerk of in een bijbehorende beschermingszone (watergangen of keringen), gelden vanuit het Waterschap (te weten Drents Overijsselse Delta en Noorderzijlvest) algemene regels (beleidsregels, de keur en de legger). Deze werkzaamheden kunnen bovendien meldingsplichtig en/of vergunningsplichtig zijn.
Dit hoofdstuk bespreekt de juridische vormgeving van het bestemmingsplan. De Wro bevat de regeling voor de opzet en de inhoud van een bestemmingsplan. In het Bro is deze regeling verder uitgewerkt. Het bestemmingsplan bestaat uit:
Daarnaast is het bestemmingsplan voorzien van een toelichting omdat het op grond van artikel 3.1.6 van het Bro verplicht is om een bestemmingsplan te vergezellen met een toelichting. Deze toelichting geeft aan welke gedachten aan het plan ten grondslag liggen, wat de uitkomsten van verrichtte onderzoeken zijn, wat het resultaat is van de overleggen en tot slot doet het verslag van de georganiseerde inspraak bij het plan. Hiermee voldoet het bestemmingsplan aan alle vereisten die zijn opgenomen in de Wro en het Bro. Inherent hieraan is de toepassing van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) 2012. De SVBP maakt het mogelijk om bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. De SVBP 2012 is toegespitst op de regels die voorschrijven hoe bestemmingsplannen volgens de Wro en het Bro moeten worden gemaakt. De SVBP geeft bindende standaarden voor de opbouw en de verbeelding van het bestemmingsplan, zowel digitaal als analoog. De regels van dit bestemmingsplan zijn opgesteld volgens deze standaarden.
Het bestemmingsplan met de daarbij behorende toelichting wordt langs elektronische weg vastgelegd en ook in die vorm vastgesteld, tegelijk met een analoge versie van het bestemmingsplan. Als de digitale en analoge versie tot interpretatieverschillen leiden, is de digitale versie leidend. Hieronder worden de aanwezige bestemmingsregels puntsgewijs besproken.
Tot slot wordt hier nog opgemerkt dat de voorliggende regeling juridisch is vormgegeven als een facetbestemmingsplan. Dat wil zeggen dat de herziening niet rechtstreeks is verwerkt in de onderliggende bestemmingsplannen, maar dat het plan slechts een onderdeel van deze onderliggende bestemmingsplannen aanvult. Ten aanzien van het onderwerp dat het facetbestemmingsplan regelt, vervallen die regels in de onderliggende bestemmingsplannen die wat betreft dat onderwerp die strijd zijn met dit facetbestemmingsplan. De overige regels in de onderliggende bestemmingsplannen blijven ongewijzigd van toepassing. Ook wordt opgemerkt dat de verbeelding van dit facetbestemmingsplan alleen een weergave is van het besluitgebied. De verbeelding bevat dus behalve een grens die aangeeft waar het bestemmingsplan geldt, geen verdere invulling.
In het navolgende wordt de algemeen gehanteerde opbouw van de bestemmingsregels toegelicht. Deze ziet er als volgt uit:
De tekst hieronder bespreekt deze hoofdstukken puntsgewijs.
Dit onderdeel bestaat uit de begrippen (Begrippen) en de wijze van meten (Wijze van meten). Deze artikelen geven aan wat in de regels onder bepaalde begrippen moet worden verstaan en hoe moet worden gemeten bij de toepassing van de bouwregels of sommige gebruiksregels van het plan. Dit is alleen het geval wanneer begrippen niet op voorhand voor een eenduidige uitleg, conform normaal spraakgebruik, vatbaar zijn. De gemeente heeft bindende afspraken over planregels opgesteld. Deze zijn aangepast conform de eisen van de SVBP2012. Alle begrippen worden in alfabetische volgorde opgenomen, met uitzondering van de eerste begrippen 'plan' en 'bestemmingsplan'.
Voor de begrippen is aansluiting gezocht bij het bestemmingsplan dat voor het buitengebied van Noordenveld geldt: 'Buitengebied Noordenveld' (met identificatienummer NL.IMRO.1699.2009BP007-vg2). Voor de wijze van meten geldt dat ook deze overeenkomt met dat bestemmingsplan.
De algemene regels zijn de regels die in het gehele plangebied van dit bestemmingsplan gelden. De 'Algemene bouwregels' bepalen dat het in het plangebied van dit bestemmingsplan niet is toegestaan om kleinschalige windturbines te bouwen. Deze regel in combinatie met de 'Algemene afwijkingsregels' zorgen dat een omgevingsvergunning nodig is voor de bouw van één (of meer, maar maximaal 2) kleinschalige windturbine(s) in het plangebied.
Verder bevat dit hoofdstuk ook de 'Algemene afwijkingsregels'. Deze regel maakt het onder voorwaarden mogelijk om in afwijking van hetgeen dit bestemmingsplan bepaalt, door middel van een omgevingsvergunning één (of meer) kleinschalige windturbine(s) te bouwen.
De algemene afwijkingsregels bevatten een toetsingskader op grond waarvan de gemeente Noordenveld een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een kleinschalige windturbine beoordeelt. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen kleinschalige windturbines (horizontale as) met een ashoogte van maximaal 15 m1 op agrarische bouwpercelen in het buitengebied en op bedrijventerreinen (artikel 6.1) en kleinschalige windturbines (horizontale as) en windwokkels (verticale as) op woon- en bedrijfspercelen in het buitengebied (artikel 6.2).
In dit hoofdstuk zijn het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Voor de redactie van het overgangsrecht geldt het Bro. Dit besluit schrijft dwingend voor hoe het overgangsrecht moet luiden/ Bebouwing die niet voldoet aan de regels van dit bestemmingsplan is onder het overgangsrecht gebracht. Een geringe uitbreiding van de bebouwing met 10% wordt mogelijk gemaakt.
Het gebruik van gronden en bebouwing dat in strijd is met dit nieuwe bestemmingsplan op het tijdstip van inwerkingtreding, mag in beginsel worden voortgezet. Wijziging van dit strijdige gebruik is verboden, indien de afwijking van het plan wordt vergroot. Indien het strijdige gebruik, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
Tot slot bevat Hoofdstuk 3 de slotregel waarin is aangegeven hoe het bestemmingsplan kan worden aangehaald.
Dit plan heeft uitsluitend als doel om het beleidskader voor kleinschalige windturbines en bijbehorende leidingen te vertalen naar de bestemmingsplannen waarop dit facetbestemmingsplan van toepassing is verklaard. De kosten voor het opstellen van dit plan komen voor rekening van de gemeente. Het oprichten van kleinschalige windturbines is alleen toegestaan na het verlenen van een omgevingsvergunning voor het afwijken van de bestemmingsregels. De kosten voor de gemeente betreffen het beoordelen van deze aanvragen. Deze kosten worden door middel van leges gedekt. De economische uitvoerbaarheid ligt in de handen van initiatiefnemers.
Dit bestemmingsplan bevat geen aangewezen bouwplan (artikel 6.12 in samenhang met artikel 6.2.1 van de Wro). Het opstellen van een exploitatieplan is daarom niet aan de orde.
Artikel 6.1 van de Wro bepaalt dat burgemeester en wethouders een belanghebbende die als gevolg van een bepaling van een bestemmingsplan (of een ander ruimtelijk besluit) schade lijdt, in de vorm van inkomensderving of waardevermindering van een onroerende zaak, op zijn verzoek een tegemoetkoming in de schade toekennen. Daarbij geldt dat de schade redelijkerwijs niet voor rekening van de aanvrager behoort te blijven en dat een tegemoetkoming op een andere wijze niet is verzekerd. Binnen het normale maatschappelijke risico vallende schade blijft voor rekening van de aanvrager. Daarnaast wordt ook een waardevermindering van maximaal 2% ontstaan door een verandering in het planologisch regime binnen het normale maatschappelijke risico gerekend.
Bij het toepassen van een afwijkingsbevoegdheid (zoals aangegeven in 5.1.1) wordt een planschadeovereenkomst gesloten met de betreffende aanvrager. Hiermee komen eventuele planschadekosten voor rekening van de aanvrager. Dit geldt voor alle afwijkingen van het bestemmingsplan en dus ook voor kleinschalige windturbines.
Het facetbestemmingsplan is aan de belanghebbende overlegpartners voorgelegd. Alleen van het Waterschap Noorderzijlvest is een reactie ontvangen. Op verzoek van het Waterschap zijn de bepalingen van artikel 6.1.g 1 en 3 ook toegevoegd in artikel 6.2. onder g.
De overlegreactie is opgenomen als Bijlage 2 bij de toelichting.
Het ontwerp-bestemmingsplan wordt voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode heeft iedereen de mogelijkheid om een zienswijze in te dienen. Eventuele zienswijzen worden te zijner tijd in het bestemmingsplan verwerkt.